Onderhoudsbijdrage voor de kinderen

De wet zegt hier het volgende over

De ouders moeten in verhouding tot hun middelen zorgen voor huisvesting, levensonderhoud, gezondheid, toezicht, opleiding en ontplooiing van hun kinderen.  Deze verplichting, die doorloopt na de meerderjarigheid indien de opleiding nog niet voltooid is, betreft zowel een materiële inspanning als een immateriële inspanning.

Onderhoudsbijdrage voor kinderenMaar wat wil dit nu eigenlijk concreet zeggen?

Heel algemeen gesproken wil de wetgever hier zeggen dat de ouders de verplichting hebben op alle vlakken zo goed mogelijk voor hun kinderen te zorgen.  Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen de materiële inspanning en de immateriële inspanning.

Wat er wordt bedoeld met materiële inspanningen is voor de meeste mensen wel duidelijk.  De ouders zijn verplicht om hun kinderen – in verhouding tot hun inkomen – alles te geven wat ze nodig hebben.  Niet alleen een dak boven hun hoofd en eten (dagdagelijkse kosten, ook wel eens verblijfsgebonden kosten genoemd), maar ook alles voor hun studies, hun lichamelijke en geestelijke gezondheid (dokterskosten, andere medische kosten) en hun verdere ontplooiing (denk hierbij b.v. aan hobby’s).

Dit wil niet zeggen dat een ouder verplicht is alles aan zijn kinderen te geven waar die achter vragen, maar wel alles wat nodig is om het kind te laten opgroeien tot een zelfstandige en zelfzekere volwassene.  Uiteraard zijn het de ouders die samen in overleg beslissen wat hieronder valt.

Dan de immateriële inspanning, deze is niet in geld uit te drukken en hiermee wordt bedoeld alles wat ouders voor hun kinderen doen dat nooit geteld wordt: "er zijn" voor de kinderen, kinderen helpen, de kinderen alles leren wat ze nodig hebben, opvoeden in het algemeen.  Dit wordt dikwijls over het hoofd gezien en meestal wordt er alleen over de financiën gesproken, maar ook de tijd die je doorbrengt met je kinderen en vooral de kwaliteit waarmee je die tijd doorbrengt is van essentieel belang en is niet in geld uit te drukken.  Maar ook dit dient een ouder uit te voeren ‘in verhouding tot zijn middelen’, hier zijn de middelen dan de tijd die de ouder kan vrijmaken en diens pedagogische kwaliteiten.